eHerkenning in 2020 nog niet verplicht voor btw-aangifte

Bron: SRA 

Voor het indienen van de btw-aangifte is dit jaar nog geen eHerkenning vereist. Dit blijkt uit antwoorden van staatssecretaris Vijlbrief op Kamervragen.

Verplichting uitgesteld

Mobiel



eHerkenning zou vanaf 1 januari 2020 verplicht worden voor het doen van de aangifte vennootschapsbelasting en loonheffing. Voor de loonheffing is inmiddels echter besloten tot uitstel tot 1 juli, voor ondernemers die hiervoor eHerkenning niet eerder gebruikt hebben. Voor de aangifte vennootschapsbelasting kunnen belastingplichtigen zelf uitstel aanvragen.

eHerkenning

eHerkenning is een veilig gedigitaliseerd communicatiemiddel waarmee inmiddels met enige honderden overheidsinstanties gecommuniceerd kan worden. Het gebruik ervan is echter niet kosteloos.

Niet-verplicht voor de btw

Genoemde verplichtingen hebben vanwege de kosten inmiddels tot veel ophef geleid. Daarom heeft staatssecretaris Vijlbrief de Tweede Kamer bij brief nader geïnformeerd. In deze brief staat ook dat de verplichting tot gebruik van eHerkenning dit jaar nog niet wordt ingevoerd.

Let op! Dit betekent dat rechtspersonen gebruik moeten maken van het zogenaamde oude portaal van de Belastingdienst.

Is uw WOZ-beschikking wel juist?

Bron: SRA

Binnenkort vallen de nieuwe WOZ-beschikkingen weer op de mat. Onroerend goed is aanzienlijk in waarde gestegen, dus is het van belang te checken of uw beschikking wel klopt.

Belang WOZ-beschikking

Pand



Gemeenten zijn verplicht om voor onroerend goed ieder jaar een nieuwe beschikking te nemen over de WOZ-waarde van uw onroerende zaak. Op basis van de WOZ-waarde bepaalt de gemeente onder andere uw aanslag OZB, maar de WOZ-waarde is ook bepalend voor tal van andere belastingen, zoals de bijtelling voor de eigen woning.

Prijsstijging onroerend goed

Bestaande koopwoningen werden in 2018 gemiddeld zo’n 9% duurder, de grootste prijsstijging sinds 2001. Dit is van belang voor de waarde van uw pand op 1 januari 2019, de peildatum voor de nieuwe WOZ-waarde.

Check WOZ-waarde

Gemeenten stellen de WOZ-waarde niet altijd even secuur vast. Er wordt dan ook regelmatig bezwaar tegen de waarde aangetekend, in ruim 1% van alle gevallen. Ongeveer de helft hiervan is succesvol en leidt gemiddeld tot een waardevermindering van 11,6%.

Omgevingsfactoren

Als de waarde is afgeleid van vergelijkbare panden, check dan of omgevingsfactoren voldoende zijn meegenomen. Is bijvoorbeeld de overlast van het verkeer of stank vergelijkbaar?

Individuele factoren

Daarnaast spelen ook individuele factoren een rol bij de waardebepaling, zoals de staat van onderhoud en de eventuele aanwezigheid en ligging van een tuin.

Afwijkende waarde? Maak bezwaar!

Wijkt de waarde af van de waarde die naar uw mening in alle redelijkheid aan uw pand dient te worden toegekend, maak dan bezwaar. Een minimale afwijking van de vastgestelde waarde is tegenwoordig niet meer vereist.

Let op! Geef in uw bezwaar zo goed mogelijk aan op basis van welke factoren het pand naar uw mening te hoog is gewaardeerd.

Tip! Heeft u juist een hogere waardering nodig vanwege bijvoorbeeld verkoopplannen, dan kunt u ook bezwaar aantekenen tegen een te lage WOZ-waarde.

Aanvraag WBSO versoepeld

Bron: SRA 

Vanaf 1 januari 2020 kunnen werkgevers flexibeler gebruikmaken van de Wet Bevordering Speur- en Ontwikkelingswerk (WBSO). Om dit te realiseren, wordt de aanvraagprocedure op twee punten gewijzigd. De voorwaarden blijven gelijk aan 2019.

WBSO

Papier



Met de WBSO worden kosten voor research en development verlaagd door een korting op de loonheffing. De hoogte van de investeringskosten bepaalt het fiscale voordeel.

Wijzigingen

De eerste wijziging is dat vanaf 1 januari 2020 de ‘tussenmaand’ bij het aanvragen vervalt. Voorheen moesten werkgevers een WBSO-aanvraag minimaal een volle kalendermaand voorafgaand aan de periode waarop de aanvraag betrekking heeft, aanvragen.

Als een werkgever dus met ingang van 1 februari 2020 gebruik wil maken van de WBSO, dan kan hiervoor op 31 januari 2020 nog een aanvraag worden ingediend.

Let op! Er geldt een uitzondering voor aanvragen voor een periode die ingaat op 1 januari. Deze aanvragen moeten vanaf 2020 uiterlijk op 20 december worden ingediend.

Vier keer per jaar aanvragen

De tweede wijziging heeft betrekking op het aantal aanvragen per jaar. Met ingang van dit jaar mag maximaal vier keer per jaar een WBSO-aanvraag worden ingediend, voor een periode van minimaal drie maanden. Voorheen kon maximaal drie keer per jaar een aanvraag worden ingediend.

Verruiming Werkkostenregeling in 2020

Bron: MKBFiscaal

Binnen de werkkostenregeling is het mogelijk om onbelaste vergoedingen en verstrekking aan werknemers te doen. Vanaf 2020 wordt de vrije ruimte binnen de werkkostenregeling verruimd.

Tot en met 2019 is het mogelijk om 1,2% van de totale fiscale loonsom (kolom 14 van de loonstaat) onbelast als vergoeding of verstrekking aan uw medewerkers te geven. Vanaf 2020 wordt deze vrije ruimte verruimd naar 1,7% tot een loonsom van € 400.000.

Het hogere percentage van 1,7% geldt over de eerste € 400.000 van de totale fiscale loonsom. Boven dit bedrag wordt 1,2% gehanteerd. Per saldo kan deze nieuwe regeling € 2.000 aan extra belastingvrije vergoedingen geven.

Voorbeeld verruiming werkkostenregeling: 
Uw onderneming heeft een totale loonsom van € 600.000. Tot en met 2019 kunt u € 7.200 (€ 600.000 x 1,2%) aan onbelaste vergoedingen verstrekken. Vanaf 2020 kunt u € 9.200 (€ 400.000 x 1,7% + € 200.000 x 1,2%) aan onbelaste vergoedingen verstrekken.

Welke kosten vallen binnen de werkkostenregeling?
Enkele voorbeelden van vergoedingen en verstrekkingen aan uw medewerkers die binnen de werkkostenregeling vallen:
– Kerstpakketten
– Personeelsfeesten (buiten de werkplek)
– Jubileumrecepties

De nieuwe KOR, ofwel OVOB

Bron: Wolters Kluwers

De Belastingdienst heeft de KOR, beter bekend als de kleine ondernemersregeling, aangepast per 1 januari 2020. Tijd om je te verdiepen in de nieuwe KOR!

Wat houdt de huidige KOR in? 

De kleine ondernemersregeling is in het leven geroepen om ondernemers die relatief weinig omzet draaien een steuntje in de rug te geven. Zij kunnen in aanmerking komen voor korting of kwijtschelding van de te betalen omzetbelasting (btw). De grens lag hierbij op €1.883,-. Indien de ondernemer maximaal €1.883,- aan btw betaalde in 2019, dan kwam hij/zij in aanmerking voor een korting op de btw. Deze berekening wordt dus achteraf gemaakt. De ondernemer doet gewoon btw-aangifte en kan dus ook de btw factureren én terugvragen. 

Wat is er per 1 januari 2020 veranderd? 

Behoorlijk wat! Om te beginnen de naam: de KOR is vervangen door de OVOB (omzet gerelateerde vrijstelling omzetbelasting). Daarnaast dient de ondernemer vooraf aan te geven of hij/zij gebruik wil maken van de regeling, vóór de start van het btw-tijdvak dus. De nieuwe regeling kan niet met terugwerkende kracht worden toegepast. 

Verder gaat de ondernemer deelname aan voor een periode van minimaal 3 jaar. Onder de OVOB krijgt de ondernemer vrijstelling van de btw indien hij/zij jaarlijks niet meer dan €20.000,- omzet. Let op: er wordt dus niet meer gekeken naar de af te dragen btw, maar naar de totale omzet.  

De oude KOR is alleen toepasbaar op natuurlijke personen (denk aan zzp’ers en vof’s), maar de nieuwe regeling is óók toepasbaar voor rechtspersonen zoals verenigingen, stichtingen en bv’s.  

In de nieuwe OVOB ontvangen ondernemers gehele vrijstelling van de btw en daarmee ook van hun administratieve plichten. Zij hoeven géén btw-aangifte meer te doen en kunnen dus ook geen btw factureren of terugvragen.  

Wanneer is de nieuwe KOR (OVOB) interessant voor ondernemers? 

Er zijn een aantal factoren die meewegen in de beslissing om wel of niet deel te nemen aan de OVOB. Zo kan het voor een kleine ondernemer die jaarlijks btw moet betalen wel interessant zijn, maar voor ondernemers die jaarlijks btw terugkrijgen of die veel investeringen doen, juist weer niet.  

Voor ondernemers die veel zakendoen met particulieren, ofwel klanten die geen btw kunnen terugvragen, kan de regeling wél interessant zijn. De ondernemer hoeft immers geen btw meer te factureren, wat de prijs voor particuliere klanten aanzienlijk verlaagd. Daarnaast vervalt de administratieve verplichting t.a.v. de btw, wat betekent dat deelnemende ondernemers extra tijd kunnen besteden aan bijvoorbeeld acquisitie of branding.  

Hoe kunnen ondernemers hier gebruik van maken? 

Indien ondernemers gebruik willen maken van de regeling, dienen jullie samen te kijken of hij/zij voldoen aan de voorwaarden: 

  • De ondernemer is btw plichtig 
  • De ondernemer is gevestigd in Nederland 
  • De ondernemer verwacht een maximale jaaromzet van €20.000,- (voor de komende 3 jaar) 

Ondernemers kunnen zich  aanmelden voor de regeling maar dat gaat deze pas in op 1 april 2020, het nieuwe btw-tijdvak. 

Waar moet je verder op letten?  

De OVOB is een aantrekkelijke regeling voor ondernemers die een stabiele (lage) omzet draaien en hierdoor een realistische schatting kunnen doen voor de komende 3 jaar. Het kan echter gebeuren dat de ondernemer toch meer dan €20.000,- omzet. De ondernemer dient de (verhoogde) omzet door te geven aan de Belastingdienst en de OVOB deelname wordt hierna direct stopgezet. De ondernemer is vervolgens ook 3 jaar uitgesloten van nieuwe deelname aan de OVOB. Voor overige bijzonderheden en vrijstellingen verwijzen wij je graag naar de website van de Belastingdienst

Gebruik bestelauto onduidelijk? Geen bijtelling!

Bron: SRA 

Ook voor het privégebruik van een zakelijke bestelauto geldt in beginsel gewoon de bekende bijtelling. Hierop bestaan wel enkele uitzonderingen, bijvoorbeeld wanneer door de aard van het werk verschillende werknemers de bestelauto doorlopend afwisselend gebruiken. Hoe moeten de begrippen ‘doorlopend’ en ‘afwisselend’ in praktijk worden uitgelegd?

Bijtelling bestelauto

Bestelbus



Voor een bestelauto bedraagt de bijtelling dit jaar gewoon 22% inclusief BPM en btw, tenzij de bestelauto volledig elektrisch is. Is de auto vóór 2017 voor het eerst op kenteken gezet, dan kan een ander percentage bijtelling van toepassing zijn.

Oplossing voor de praktijk

Anders dan bij personenauto’s komt het bij bestelauto’s regelmatig voor dat deze afwisselend door verschillende werknemers worden gebruikt, bijvoorbeeld in de bouw en aanverwante bedrijven. Als alternatief voor de bijtelling per individuele werknemer is er voor de praktijk een oplossing gezocht via een eindheffing.

Eindheffing

Deze oplossing betekent dat in plaats van de bijtelling bij de werknemer, de werkgever een eindheffing verschuldigd is van € 300 per bestelauto per jaar. Er vindt dan geen bijtelling bij de individuele werknemers plaats.

Voorwaarden

Deze eindheffing is best een aantrekkelijke regeling. Niet alleen vanwege het lage bedrag aan eindheffing, maar ook omdat dan verder geen kilometeradministratie meer hoeft te worden bijgehouden. Dat het voor werknemers ook aantrekkelijk is, spreekt voor zich. De eindheffing komt alleen in plaats van de bijtelling als door de aard van het werk de bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt wordt door twee of meer werknemers. Daardoor moet ook niet goed zijn vast te stellen of en aan wie de bestelauto voor privégebruik ter beschikking staat. Dit is onlangs nog bevestigd in een uitspraak van het gerechtshof in Den Haag.

Wie gebruikt auto privé?

In genoemde zaak werd een bestelauto doorlopend afwisselend gebruikt door twee werknemers van een aannemersbedrijf. Wie de bestelauto ’s avonds mee naar huis nam, hing af van de vraag wie er het verst van de op dat moment uit te voeren klus woonde.

De rechter kwam tot de conclusie dat juist voor dit soort situaties de eindheffing is ingevoerd en vernietigde de naheffing met boete.

Heeft u vragen over de bijtelling voor bestelauto’s, neem dan contact met ons op.


DGA salaris m.i.v. 2020 naar € 46.000

Het minimumbedrag voor het gebruikelijk loon voor aandeelhouders met een aanmerkelijk belang is verhoogd tot € 46.000 in 2020. In 2019 bedroeg dit loon           € 45.000. Dit blijkt uit de tweede uitgave van de ‘Nieuwsbrief Loonheffingen 2020’ die onlangs door de Belastingdienst werd gepubliceerd.

Volgens de gebruikelijkloonregeling hoort een aanmerkelijkbelanghouder een loon te krijgen dat gebruikelijk is voor het niveau en de duur van zijn arbeid. Dit loon is minimaal € 46.000 in 2020 (€ 45.000 in 2019 en 2018).

Er mag worden uitgegaan van een lager salaris wanneer de aanmerkelijk belanghouder en de bv aantonen dat in het economische verkeer een lager salaris gebruikelijk is. Daarbij geldt als vergelijking soortgelijke dienstbetrekkingen waarbij een aanmerkelijk belang geen rol speelt. Er moet worden uitgegaan van een hoger loon wanneer aannemelijk is dat in het economische verkeer een hoger loon gebruikelijk is. Het salaris wordt dan gesteld op een bedrag dat niet meer dan 30% afwijkt van het loon dat in het maatschappelijke verkeer gebruikelijk is.

Afschaffing VAR definitief

Dinsdag heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel om de huidige VAR-verklaring af te schaffen en de modelovereenkomst in te voeren. Dit betekent dat het voorstel wet wordt, de VAR gaat verdwijnen en de modelovereenkomst doet definitief zijn intrede.

De einddatum van de VAR is uiteindelijk vastgesteld op 1 mei 2016. De periode van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 wordt een overgangsperiode. Vanaf 1 mei 2017 krijg je alleen vrijwaring voor de inhouding van loonheffingen als je werkt volgens een door de belastingdienst beoordeelde en goedgekeurde modelovereenkomst.

Gevolgen voor de praktijk

Voor de praktijk betekent dit dat je tot 1 mei 2016 gebruik kan maken van de VAR-verklaring.

In de periode van 1 mei 2016 tot 1 mei 2017 krijg je de tijd om jouw modelovereenkomst voor te leggen aan de belastingdienst en je werkwijze aan te passen aan de voorwaarden die zijn opgenomen in jouw modelovereenkomst. De belastingdienst zal in deze periode controleren of er conform de modelovereenkomst wordt gewerkt. Het niet voldoen aan de voorwaarden van de modelovereenkomst heeft op dat moment echter nog geen gevolgen. De belastingdienst geeft alleen aanwijzingen over de aanpassingen die noodzakelijk zijn om wel te voldoen aan de voorwaarden van de modelovereenkomst.

Vanaf 1 mei 2017 ben je gehouden om te werken conform de voorwaarden van je modelovereenkomst. Werk je na 1 mei 2017 niet conform deze voorwaarden, dan kan de belastingdienst stellen dat er sprake is van een dienstbetrekking met alle fiscale gevolgen van dien. De correctie van de belastingdienst werkt in dat geval terug tot uiterlijk 1 mei 2016, de afschaffingsdatum van de VAR.

Een aantal modelovereenkomsten kun je hier op de site van de Belastingdienst vinden.

Hoofdpunten Belastingplan 2015

Een overzicht van de belangrijkste hoofdpunten van het Belastingplan 2015: de werkkostenregeling, afkoop levenslooptegoed, daling ziektekostenpremie, verhoging belastingtarief, aanpassing gebruikelijk loon DGA en de komst van de Brug-WW.

Werkkostenregeling
Het keuzeregime vervalt: de werkkostenregeling is per 1 januari 2015 verplicht van toepassing. Belangrijkste wijziging is dat er drie nieuwe gerichte vrijstellingen voor verstrekkingen én vergoedingen zijn.
1. Voor een gerichte vrijstelling van vergoedingen voor en verstrekkingen van gereedschappen, computers, mobiele communicatiemiddelen en dergelijke apparatuur is vereist dat ze noodzakelijk zijn voor een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking. De redelijkheid ervan moet worden bepaald door de werkgever. Het wetsvoorstel geeft als voorbeelden van noodzakelijk gereedschap: de kwast van de schilder, de duimstok van de timmerman en de naaimachine van de kledingmaker.
2. Bepaalde voorzieningen die geheel of gedeeltelijk op de werkplek worden gebruikt, worden ook gericht vrijgesteld. Invulling volgt later door de overheid.
3. Herinvoering van de vrijstelling voor personeelskortingen op branche-eigen producten: ten hoogste 20% van de waarde in het economische verkeer met een maximum van € 500 per werknemer per jaar.

Afkoop levenslooptegoed
In 2013 was het eenmalig mogelijk het levensloopspaartegoed af te kopen met een belastingkorting van 20% over een deel van dat tegoed. De maximale belastingdruk was 41,6% (80% van 52%). Deze mogelijkheid wordt herhaald in 2015. De 20%-kortingsregeling geldt voor het spaartegoed dat op 31 december 2013 aanwezig was (de inleg in 2014 wordt niet ‘gesubsidieerd’). Wie in 2015 (volledig) afkoopt, kan nadien niet meer levensloopsparen.

Ziektekostenpremie
De door de werkgever verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet daalt van 7,50% naar 6,95%. Het verplichte eigen risico voor verzekerden stijgt met € 15 naar € 375.

Verhoging belastingtarief
Het tarief voor de eerste schijf van de inkomstenbelasting bedraagt volgend jaar 36,5 procent. Dat is een verhoging met 0,25 procentpunt. Eerder werd gedacht aan een nog grotere stijging.

Verhoging afbouwpercentage algemene heffingskorting
De algemene heffingskorting is een korting op de te betalen inkomstenbelasting. In 2014 bedraagt de heffingskorting maximaal € 2.103, zij het dat de korting wordt verminderd met 2% van het inkomen als het inkomen meer bedraagt dan € 19.645 (met een maximale vermindering van € 737). Dit afbouwpercentage wordt voor 2015 verhoogd tot 2,32% en voor 2016 tot 3,32%. Dit betekent dat voor inkomens boven € 19.645 de heffingskorting sneller afneemt.

Arbeidskorting
De arbeidskorting wordt de komende jaren verder verhoogd. De arbeidskorting zou de komende jaren al jaarlijks verhoogd worden. Maar juist voor de hogere inkomens was er een afbouwgrens ingebouwd. Deze afbouwgrens wordt nu verder verhoogd.

Brug-WW
Werklozen die aan de slag gaan in een sector waar een tekort aan personeel bestaat (bijvoorbeeld de techniek), kunnen worden omgeschoold met behulp van een WW-uitkering. De werkzoekende krijgt dan voor de uren dat hij werkt salaris en voor de uren waarin hij wordt omgeschoold WW. Daardoor is het voor werkgevers goedkoper om zo iemand in dienst te nemen. De maatregel geldt voor werknemers die met ontslag worden bedreigd of mensen met een WW-uitkering.
Lees meer over de Brug-WW.

Loon DGA
Een grootaandeelhouder (met een aanmerkelijk belang) die werkzaamheden voor zijn vennootschap verricht (dga), wordt geacht een minimaal salaris uit die vennootschap te hebben ontvangen. Het kabinet wil het verschil in belastbaar loon met een reguliere werknemer verkleinen. De regeling wordt met ingang van 1 januari 2015 aangepast. Nu moet het loon van de dga ten minste 70% bedragen van het loon van een met hem vergelijkbare werknemer. Dit percentage wordt met ingang van 2015 verhoogd naar 75.
Per 1 januari 2015 wordt het gebruikelijk loon gesteld op 75% van het loon uit de meest vergelijkbare dienstbetrekking; of het hoogste loon van overige werknemers die in dienst zijn bij de onderneming, of een gelieerde onderneming; of € 44.000. De regel die de hoogste uitkomst geeft, bepaalt de hoogte van het gebruikelijke loon.
Als het hoogste loon van overige werknemers de hoogste uitkomst geeft maar tot een onredelijke uitkomst leidt, mag de werkgever aannemelijk maken dat een lager loon redelijker is.
In de wet wordt nu ook benoemd hoe de onderneming ‘de meest vergelijkbare dienstbetrekking’ moet bepalen. Het moet gaan om een dienstbetrekking, die vergelijkbaar is, en:
• waar een aanmerkelijk belang geen rol speelt;
• die bekend is bij de werkgever en de Belastingdienst;
• waarvan het loon bekend is, of in redelijkheid geschat kan worden; en
• waarvan het loon ook op een gebruikelijk manier is vastgesteld.
Voor de toets van het hoogste loon van overige werknemers moet men uitgaan van alle werknemers binnen het concern. Concern in dit kader zijn ondernemingen met een verbondenheid van ten minste 33,33%. Daarnaast tellen mee dochtervennootschappen van de werkgever indien op voordelen uit die dochtervennootschap de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. In de regel is dit bij een aandelenbezit van ten minste 5%.

Voor het jaar 2015 geldt een overgangsregeling. Het loon in 2015 mag de dga vaststellen op 75/70ste van het loon in 2013, mits het loon in 2013 hoger was dan de toen geldende norm van € 43.000. Vervolgens pakt het overgangsrecht als volgt uit:
• voor de dga die geen afspraken heeft gemaakt met de Belastingdienst over de hoogte van zijn loon geldt dat het gebruikelijk loon in 2015 moet worden vastgesteld volgens de nieuwe regels;
• voor de dga die wel afspraken heeft gemaakt met de Belastingdienst over de hoogte van zijn loon geldt dat die afspraken ‘automatisch’ worden opgezegd. De Belastingdienst kan contact opnemen met de dga om opnieuw het gebruikelijk loon vast te stellen. Als de Belastingdienst dit niet doet, dan loopt de dga geen risico als hij zijn gebruikelijk loon in 2015 vaststelt op 75/70ste van zijn loon in 2013.
Koopkracht

In 2015 stijgt de koopkracht gemiddeld naar verwachting met een half procent. Ongeveer driekwart van alle huishoudens gaat er in koopkracht op vooruit. Dit is het tweede jaar op rij dat de koopkracht stijgt.
Toch profiteert niet iedereen van de kabinetsmaatregelen om de koopkracht bij te spijkeren. Alleenverdieners met kinderen en een modaal inkomen en veel gepensioneerden krijgen er volgend jaar niks extra’s bij of moeten zelfs inleveren. Dat komt vooral door het afbouwen van de zorgtoeslag. Dat treft modale inkomens. Bij gepensioneerden speelt ook het niet verhogen van de pensioenen een rol.
De hogere inkomens (meer dan 350 procent van het minimumloon) gaan er 0,75 procent op vooruit. Deze groep profiteert van een verhoging van de arbeidskorting. Ook alleenstaande ouders met minimumloon kunnen een zeer forse plus tegemoet zien: 10 procent. Binnen de inkomenscategorieën zijn overigens ook weer grote verschillen zichtbaar. Zo komt de gemiddelde koopkrachtstijging voor ouderen volgend jaar uit op nul. Maar toch gaat 57 procent van de ouderen er ietsje op vooruit

De VAR in de loop van 2015

Waarom komt er een nieuwe VAR?
Er is van alle kanten ontevredenheid over de VAR. De fiscus heeft te weinig tijd om hem te toetsen, wat schijnzelfstandigheid in de hand werkt; de werkgever weet bij een VAR-row nog steeds niet waar hij aan toe is en de zzp’er weet nooit zeker of de fiscus achteraf tóch niet anders oordeelt (waardoor hij zijn aftrekposten gedeeltelijk misloopt).

Wanneer komt de nieuwe VAR en wat houdt deze in?
De staatssecretaris van financien verwacht eind augustus een wetsvoorstel over de nieuwe VAR aan de Tweede Kamer te kunnen sturen. De nieuwe VAR wordt dan in de loop van 2015 van kracht. 
De nieuwe VAR wordt na verwachting een webmodule waarin opdrachtgever en zzp’er samen online hun arbeidsrelatie moeten toetsen en waarin ook de opdrachtgever moet tekenen voor zijn verantwoordelijkheid. Ook op deze webmodule is overigens nu al veel commentaar; deze zou tot extra administratieve rompslomp leiden en de problematiek van het verkapte dienstverband niet wegnemen.

Wat moet jij daar voor 2015 mee?
Voorlopig moet je niks, sterker nog, voorlopig kun je niks. De staatssecretaris verwacht niet dat de nieuwe webmodule per 1 januari 2015 gereed is. Hij geeft in zijn brief aan de Tweede Kamer aan dat de VAR van 2014 ook geldig blijft in de eerste maanden van 2015. Hoeveel maanden dat zijn is niet duidelijk.  ZZP’ers die voornemens waren per 1 januari 2015 een VAR aan te vragen, kunnen dat gewoon doen. De staatssecretaris geeft de belastingdienst opdracht om in de maanden juli en augustus te communiceren over de VAR, om zo te voorkomen dat er teveel onzekerheid ontstaat. (Naschrift: de belastingdienst heeft ondertussen een brief gestuurd aan VAR-houders).

Waar dient de VAR ook al weer precies voor?
De Verklaring arbeidsrelatie is in het leven geroepen ter bescherming van de opdrachtgever. Een bedrijf draagt voor werknemers in loondienst verplicht premies sociale verzekeringen af. Voor zelfstandigen die de opdrachtgever inhuurt worden deze premies niet afgedragen. Omdat een eenduidige definitie van ondernemerschap ontbreekt, loopt een opdrachtgever risico als hij een zzp’er inhuurt. Wanneer de belastingdienst achteraf oordeelt dat er toch geen sprake was van ondernemerschap, maar van een dienstverband, wordt de opdrachtgever geconfronteerd met naheffingen loonbelasting en premies. Het maken van heldere contractuele afspraken is belangrijk, maar geeft in dit verband onvoldoende zekerheid aan de opdrachtgever. Daarom is de VAR in het leven geroepen. De belastingdienst bepaalt dan vooraf of je ondernemer bent.